ECLI:NL:CRVB:2020:739
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van UWV-besluit over arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering
Appellante, werkzaam als productiemedewerkster en kwaliteitscontroleur, kreeg een WIA-uitkering toegekend na aanhoudende rug- en bekkenklachten. Het UWV stelde haar arbeidsongeschiktheid vast op 46,59% op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en geselecteerde functies. Appellante voerde bezwaar aan tegen het besluit, stellende dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en haar beperkingen werden onderschat.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De verzekeringsartsen hadden voldoende rekening gehouden met de klachten en medische informatie, waaronder van een reumatoloog en neuroloog. Er was geen objectief bewijs voor de door appellante gestelde fysieke pijnklachten en ook psychische beperkingen werden niet vastgesteld. Appellante bracht geen nieuwe medische stukken in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank volledig. Er was geen reden om een aanvullend psychiatrisch onderzoek te gelasten of de behandelend sector nader te raadplegen. Het medicijngebruik gaf geen aanleiding tot aanpassing van de beperkingen. Het UWV had de functies medisch geschikt geselecteerd en de arbeidsongeschiktheid terecht vastgesteld. Hoewel het bestreden besluit pas in hoger beroep toereikend werd onderbouwd, leidde dit niet tot benadeling van appellante.
De Raad bevestigde het bestreden besluit, veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het griffierecht wordt vergoed. Hiermee is het beroep van appellante ongegrond verklaard en het UWV-besluit gehandhaafd.
Uitkomst: Het UWV-besluit tot vaststelling van 46,59% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.