ECLI:NL:CRVB:2020:745
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing beperkingen in Amber-periode
Appellante heeft meerdere aanvragen ingediend voor een Wajong-uitkering vanwege slechthorendheid en later het syndroom van Usher, met een progressief verloop van haar aandoening. Het UWV heeft deze aanvragen afgewezen omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven om eerdere besluiten terug te nemen, waarbij de beoordeling zich richtte op de gezondheidssituatie van appellante tussen 2001 en 2006, de zogenaamde Amber-periode.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel. De medische stukken die appellante heeft ingediend bieden onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat de beperkingen in de Amber-periode ernstiger waren dan eerder vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 25 februari 2002.
Hoewel niet ter discussie staat dat appellante het syndroom van Usher heeft en haar beperkingen zijn toegenomen, is onvoldoende onderbouwd dat deze beperkingen in de relevante periode omvangrijker waren. De door appellante aangevoerde gegevens, waaronder het huisartsenjournaal, leiden niet tot een ander oordeel. Er is geen aanleiding voor een toekenning van een Wajong-uitkering of een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wajong-aanvraag wegens onvoldoende medische onderbouwing van beperkingen in de Amber-periode.