ECLI:NL:CRVB:2020:750
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens zelfstandige activiteit en urencriterium
Appellant ontving bijstand ingevolge de Participatiewet vanaf juni 2016. Na melding van zijn inschrijving bij de Kamer van Koophandel en werkzaamheden als rijinstructeur, stelde het college een onderzoek in. Hieruit bleek dat appellant vanaf 8 maart 2017 als zelfstandig ondernemer stond ingeschreven en aanzienlijke bedragen op zijn bankrekeningen had ontvangen.
Het college trok de bijstand met ingang van 8 maart 2017 in en vorderde de kosten van bijstand terug, omdat appellant niet had gemeld dat hij over voldoende middelen beschikte en voldeed aan het urencriterium voor zelfstandigen volgens het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). De rechtbank oordeelde dat de motivering van het college toereikend was en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat appellant vrijelijk over de gestorte bedragen kon beschikken en dat hij vanaf april 2017 voldoende uren als zelfstandige had gewerkt. De Raad verwierp het verweer dat de gelden contractueel beperkt waren en dat appellant alleen zijn bedrijf aan het opbouwen was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard; bijstand terecht ingetrokken en teruggevorderd vanaf 8 maart 2017.