ECLI:NL:CRVB:2020:763
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 39,5% door UWV
Appellant, laatst werkzaam als productiemedewerker, is sinds december 2013 ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 38%. Na herbeoordeling stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid per 8 februari 2016 vast op minder dan 35%, waarna appellant bezwaar maakte. Dit bezwaar werd aanvankelijk ongegrond verklaard, maar na een tussenuitspraak van de rechtbank waarin het UWV werd verzocht de motivering te verbeteren, stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid bij een tweede besluit vast op 39,5%.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij verdergaande beperkingen had, onder meer vanwege een ziekenhuisopname, hartklachten, claudicatio intermittens en psychische klachten. Hij overlegde psychologisch onderzoek en Wmo-besluiten ter onderbouwing en verzocht om benoeming van een deskundige. Het UWV stelde dat de opname van korte duur was en geen invloed had op de uitkering, en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
De Raad oordeelt dat het tweede besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. De kortdurende ziekenhuisopname leidt niet tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsartsen hebben voldoende rekening gehouden met de fysieke en psychische klachten, en de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst zijn juist vastgesteld. De Wmo-voorzieningen zijn na de datum in geding toegekend en hebben een ander beoordelingskader. Het psychologisch onderzoek en de eindrapportage bieden onvoldoende aanleiding om de vastgestelde beperkingen te herzien.
De Raad ziet geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen. De arbeidsdeskundige heeft de geselecteerde functies medisch geschikt geacht en de mate van arbeidsongeschiktheid correct berekend. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid van appellant terecht is vastgesteld op 39,5%.