ECLI:NL:CRVB:2020:803
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of veranderde omstandigheden
Appellante is sinds 1996 wegens gewrichtsklachten arbeidsongeschikt verklaard en heeft meerdere malen een WAO-uitkering aangevraagd en geweigerd, waarbij het laatste besluit dateert van 2 januari 2001. In 2016 meldde zij een verslechtering van haar gezondheid, waarop een verzekeringsarts concludeerde dat er geen nieuwe medische feiten waren die een herziening van het besluit rechtvaardigen. Het UWV weigerde daarop opnieuw een WAO-uitkering toe te kennen en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat de aangevoerde medische informatie geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevatte die aanleiding geven tot herziening. Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte het rapport van de verzekeringsarts voldoende achtte en dat er sprake was van een schending van het gelijkheidsbeginsel door het niet benoemen van een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd en dat het besluit niet evident onredelijk is. De medische informatie over eerdere jaren is niet relevant voor de datum van het eerdere besluit. Er is geen aanleiding om een deskundige te benoemen. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.