ECLI:NL:CRVB:2020:85
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als medewerkster in een saunacomplex, meldde zich in april 2014 ziek met diverse somatische klachten. Na medisch onderzoek en arbeidsdeskundig onderzoek stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. In bezwaar en beroep werden de beperkingen en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast, maar de mate van arbeidsongeschiktheid bleef onder de 35%.
De rechtbank oordeelde dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had verricht en dat de FML en de geselecteerde functies passend waren. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij meer beperkingen had, onder meer door een carpaal tunnelsyndroom en andere medische aandoeningen, en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De medische en arbeidskundige onderbouwing was voldoende en de aanvullende medische informatie in hoger beroep gaf geen aanleiding tot aanpassing van de FML. De functies waren passend, ook al kon een functie niet worden uitgeoefend vanwege het ontbreken van een rijbewijs. De Raad bevestigde het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van een WIA-uitkering bevestigd.