ECLI:NL:CRVB:2020:863
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewet-uitkering na medische en arbeidskundige beoordeling
Appellante was werkzaam als medewerker callcenter en meldde zich ziek in oktober 2013. Het UWV beëindigde haar Ziektewet-uitkering per november 2014 omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen. Na toegenomen klachten en een nieuwe beoordeling in 2016 stelde een verzekeringsarts beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Het UWV besloot opnieuw de ZW-uitkering te beëindigen per november 2016, wat door appellante werd aangevochten.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond, oordeelde dat de medische rapporten voldoende waren en dat de functie van productiemedewerker passend was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met een urenbeperking op energetische gronden vanwege haar gezondheidsklachten.
De Raad concludeert dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische situatie adequaat heeft gemotiveerd en dat de FML terecht geen urenbeperking bevat. De medische en arbeidskundige grondslagen zijn toereikend en de functie passend. Hoewel het UWV aanvankelijk niet voldeed aan de motiveringsvereisten, is dit gebrek niet benadelend geweest. De aangevallen uitspraken worden bevestigd en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkering en veroordeelt het UWV tot vergoeding van de kosten.