ECLI:NL:CRVB:2020:864
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Ziektewet- en WIA-uitkeringen en geen dienstbetrekking met andere vennootschappen
Appellant werkte sinds 2008 bij een besloten vennootschap ([BV 1]) en beëindigde dit dienstverband per 1 februari 2014. Hij vroeg een WW-uitkering aan na werkloosheid en later een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid vanaf december 2012. Het UWV wees de aanvragen voor WIA- en Ziektewet-uitkeringen af, omdat appellant volgens medische rapporten vanaf februari 2014 geschikt was voor passende arbeid en de wachttijd van 104 weken niet was vervuld.
Appellant stelde dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld, dat hij al vanaf november 2012 ziek was en dat er sprake was van meerdere dienstbetrekkingen met andere vennootschappen binnen de holding ([BV 2], [BV 3], [BV 4]). De rechtbank verklaarde zijn beroepen ongegrond en oordeelde dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond met deze andere vennootschappen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft deze uitspraken. Het onderzoek van het UWV was zorgvuldig, de medische conclusies juist en appellant kon geen nieuwe medische informatie overleggen. De werkzaamheden voor andere vennootschappen waren onderdeel van zijn dienstverband met [BV 1]. Het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de rechtbank wordt afgewezen omdat de rechtbank niet als bestuursorgaan handelt en de Raad niet bevoegd is dit verzoek te behandelen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Ziektewet- en WIA-uitkeringen en oordeelt dat appellant geen dienstbetrekking had met andere vennootschappen; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.