ECLI:NL:CRVB:2020:884
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking gezinsbijstand wegens langdurig verblijf partner in buitenland niet aannemelijk
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Het college stelde na onderzoek vast dat appellante vanaf februari 2014 langere tijd in Hongarije verbleef zonder dit te melden, waardoor het recht op gezinsbijstand niet kon worden vastgesteld. Tevens was appellant van september tot december 2015 gedetineerd, waardoor het recht op bijstand in die periode werd ingetrokken.
Het college trok de gezinsbijstand met ingang van 21 februari 2014 in en vorderde teveel betaalde bijstand terug. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. In hoger beroep betoogden appellanten onder meer dat appellante in bepaalde periodes wel in Nederland verbleef en dat zij recht had op vier weken verblijf in het buitenland met behoud van bijstand.
De Raad oordeelde dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat appellante gedurende de betwiste periodes woonachtig was in Nederland, mede gelet op het verblijf van de kinderen in Hongarije en het ontvangen van kinderbijslag aldaar. Ook het beroep op het recht op vier weken verblijf in het buitenland faalde omdat appellante geen rechthebbende was. Het college had terecht de bijstand ingetrokken en de terugvordering was niet betwist.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraken en wees de beroepen af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de gezinsbijstand wegens langdurig verblijf van appellante in het buitenland en schending van de inlichtingenplicht.