ECLI:NL:RBZWB:2020:6400
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking recht op bijstand wegens verblijf in het buitenland en schending inlichtingenplicht
Eisers ontvingen sinds 2012 bijstand, maar het college trok deze in voor de periode 1 augustus 2017 tot en met 31 juli 2019 vanwege vermoedens van verblijf in het buitenland en het niet melden daarvan. Eisers maakten bezwaar en voerden aan dat de gebruikte bewijsstukken onvoldoende waren en dat zij recht hadden op vakantieverlof.
De rechtbank oordeelde dat eisers erkenden meerdere malen in het buitenland te zijn geweest zonder dit te melden, waarmee de inlichtingenplicht was geschonden. De door eisers overgelegde stukken boden onvoldoende duidelijkheid over de exacte verblijfsperiodes in het buitenland, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De rechtbank wees het beroep af omdat het college terecht het recht op bijstand had ingetrokken.
De rechtbank verwierp ook het betoog dat de toegestane vier weken vakantie in aanmerking moesten worden genomen, aangezien de wet dit niet vereist bij intrekking. Er was geen sprake van onzorgvuldige besluitvorming en het beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de bijstand wegens verblijf in het buitenland en schending van de inlichtingenplicht wordt ongegrond verklaard.