ECLI:NL:CRVB:2020:89
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band met Nederland per 1 oktober 2017
Appellante, geboren in Turkije en sinds 1996 in Nederland woonachtig met de Nederlandse nationaliteit, had kinderbijslag ontvangen voor haar kinderen. Na meerdere emigraties en immigraties tussen Nederland en Turkije, keerde zij in augustus 2017 met haar kinderen terug naar Nederland en woonde tijdelijk bij haar ouders.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees haar aanvraag voor kinderbijslag per het vierde kwartaal van 2017 af omdat zij op 1 oktober 2017 niet als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante nog kort in Nederland verbleef, geen werk had, geen zelfstandige woonruimte bezat en haar echtgenoot in Turkije verbleef.
Appellante voerde aan dat zij door omstandigheden, waaronder een gearrangeerd huwelijk en politieke onrust in Turkije, gedwongen was te vertrekken en dat zij een duurzame band met Nederland had, ondersteund door haar inschrijving als werkzoekende, bijstandsaanvraag en schoolgaande kinderen. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat de duurzame band per 1 oktober 2017 ontbrak, ondanks latere gewijzigde omstandigheden die leidden tot toekenning van kinderbijslag per 1 januari 2018.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de afwijzing van de kinderbijslagaanvraag en wees proceskosten af. De uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput op 16 januari 2020.
Uitkomst: De aanvraag om kinderbijslag per het vierde kwartaal 2017 werd afgewezen wegens het ontbreken van een duurzame persoonlijke band met Nederland op 1 oktober 2017.