ECLI:NL:CRVB:2020:898
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant was sinds 1999 ziek gemeld en ontving een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. In 2016 vond een herbeoordeling plaats waarbij een verzekeringsarts, ondersteund door rapporten van een neuroloog, psychiater en cardioloog, vaststelde dat appellant belastbaar was met beperkingen voor fysiek zwaar werk. Een arbeidsdeskundige selecteerde passende functies, waarna het UWV besloot de WAO-uitkering per 14 februari 2017 te beëindigen vanwege een arbeidsongeschiktheidspercentage van 13,28%.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zijn psychische en lichamelijke klachten waren onderschat en dat de functies ongeschikt waren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, met name over de medische beoordeling en geschiktheid van functies.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht het arbeidsongeschiktheidspercentage onder 15% had vastgesteld en dat het medisch onderzoek zorgvuldig en deugdelijk was gemotiveerd. De informatie van de behandelend psychiater was summier en gaf geen aanleiding tot andere conclusies. Ook de overige klachten waren adequaat beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op een WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheidspercentage onder 15%.