ECLI:NL:CRVB:2020:90
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band met Nederland per 2016
Appellante, geboren in 1966, woonde van 1998 tot 2004 in Nederland en verkreeg de Nederlandse nationaliteit. Daarna verhuisde zij met haar gezin naar Spanje en later Marokko. In 2012 en 2013 verbleef zij tijdelijk zonder gezin acht maanden in Nederland. Op 29 februari 2016 keerde zij met haar kinderen terug naar Nederland en vroeg kinderbijslag aan.
De Sociale Verzekeringsbank wees de aanvraag af per het tweede kwartaal van 2016 omdat appellante toen nog niet als ingezetene van Nederland kon worden beschouwd. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat appellante nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had, mede vanwege het korte verblijf, het ontbreken van een zelfstandige woonruimte, het ontvangen van een bijstandsuitkering en het niet spreken van de Nederlandse taal.
Appellante voerde aan dat zij bewust voor Nederland had gekozen, haar gezinsleven zich in Amsterdam afspeelde en haar kinderen onderwijs volgden in Nederland. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat per 1 april en 1 juli 2016 nog geen duurzame band bestond. De latere toekenning van kinderbijslag per 1 januari 2017 deed hieraan niet af.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de afwijzing van de kinderbijslagaanvraag voor het tweede kwartaal 2016 en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; kinderbijslag niet toegekend wegens ontbreken duurzame band met Nederland per 2016.