ECLI:NL:CRVB:2020:917

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 april 2020
Publicatiedatum
10 april 2020
Zaaknummer
19/3809 ANW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Appellante maakte verzet tegen deze beslissing en stelde dat zij het griffierecht tweemaal had voldaan, waarbij zij een bewijs van een internetbetaling van €47,- aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid overlegde.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellante geen feiten of omstandigheden had aangevoerd die konden leiden tot de conclusie dat zij niet in verzuim was geweest. Er was geen griffierecht ontvangen door de Raad, en mogelijk betrof het betaalde bedrag het griffierecht dat aan de rechtbank was voldaan, terwijl voor hoger beroep een afzonderlijk griffierecht vereist is.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door C.H. Bangma, in aanwezigheid van griffier B.V.K. de Louw, en uitgesproken in het openbaar op 10 april 2020.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 10 april 2020
19/3809 ANW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 augustus 2019, 17/6281 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 4 december 2019 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 28 februari 2020. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 4 december 2019 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 15 oktober 2019 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In verzet geeft appellante te kennen dat ze twee maal de gerechtelijke kosten van 10 euro heeft voldaan. Appellante legt een kopie over van een bewijs van internetbetaling, waaruit blijkt dat zij een bedrag van € 47,- heeft voldaan aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
De Raad is van oordeel dat appellante in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat zij niet in verzuim is geweest. Bij de Raad is geen griffierecht ontvangen. Mogelijk doelt appellante op het in beroep aan de rechtbank betaalde griffierecht. Voor het instellen van hoger beroep moet echter afzonderlijk griffierecht worden betaald.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2020.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) B.V.K. de Louw
GdJ

DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d’Appel Centrale) déclare le recours non fondé.
Par conséquent, décidée par C.H. Bangma en préesence de B.V.K. de Louw en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, 10 avril 2020.