ECLI:NL:CRVB:2020:919
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen ondanks klachten linkerarm en zorgplicht
Appellante ontvangt sinds 2004 een Wajong-uitkering vanwege een verstandelijke beperking. Het UWV heeft in 2016 vastgesteld dat zij arbeidsvermogen heeft, waardoor haar uitkering per 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. De rechtbank Rotterdam heeft dit besluit in 2017 bekrachtigd.
In hoger beroep voert appellante aan dat zij klachten aan haar linkerarm heeft die haar beperken in tillen en dragen, en dat zij niet kan werken vanwege het ontbreken van oppas voor haar kind. De Raad stelt vast dat deze klachten reeds in eerdere procedures zijn meegenomen en dat de arbeidsdeskundige de taak ‘bestukken’ heeft vervangen door ‘scannen’, een taak die geen zwaar tillen vereist.
De Raad benadrukt dat bij de beoordeling van arbeidsvermogen geen rekening wordt gehouden met de zorg voor kinderen. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat appellante niet kan werken vanwege haar armklachten of zorgplicht. Daarom is het besluit van het UWV om de uitkering te verlagen op goede gronden genomen en wordt het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: De verlaging van de Wajong-uitkering van 75% naar 70% van het minimumloon wordt bevestigd.