ECLI:NL:CRVB:2020:923
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken duurzame arbeidsongeschiktheid
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan vanwege klachten zoals vermoeidheid, concentratieproblemen en pijn. Het UWV wees de aanvraag af omdat zij niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt werd geacht. Na een verzoek tot herbeoordeling in 2016 handhaafde het UWV dit besluit, mede gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat er geen sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid en dat cognitieve gedragstherapie (CGT) als behandeloptie niet achterhaald is. Appellante voerde in hoger beroep aan dat CGT niet effectief is voor haar aandoening en dat de rechtbank een deskundige had moeten inschakelen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht heeft besloten niet terug te komen op het oorspronkelijke besluit, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die dit rechtvaardigen. De Raad volgt het oordeel dat CGT als eerste behandeloptie nog steeds geldt en dat er geen aanwijzingen zijn dat appellante volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV om de Wajong-uitkering af te wijzen wordt bevestigd.