Uitspraak
18/2771 PW
10 april 2018, 17/2851 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een alleenstaande ouder met bijstand op grond van de Participatiewet, vroeg bijzondere bijstand voor reiskosten om haar gedetineerde partner, vader van haar zoon, meerdere malen per maand te bezoeken. De partner verbleef sinds 2006 in detentie en vanaf 2015 in een tbs-kliniek. De gemeente Weert wees de aanvraag af omdat de kliniek al reiskosten vergoedde voor de maandelijkse systeemgesprekken en het beleid alleen bijzondere bijstand toestaat indien het gezinslid voorafgaand aan detentie op hetzelfde adres woonde.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de noodzaak van meerdere bezoeken per maand niet aannemelijk was gemaakt, de beleidsregels correct en consistent waren toegepast en dat de hardheidsclausule niet van toepassing was. De enkele stelling dat meerdere contactmomenten nodig zijn voor het opbouwen van een gezinsband was onvoldoende onderbouwd.
De Raad benadrukte dat bij de beoordeling van bijzondere bijstand de rechter een eigen oordeel moet vormen over de noodzakelijkheid van kosten en dat het college geen beoordelingsvrijheid heeft bij de vraag of kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand voor reiskosten van meerdere bezoeken per maand aan de gedetineerde partner is terecht afgewezen.