ECLI:NL:CRVB:2012:BV3889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering bijzondere bijstand met terugwerkende kracht op grond van regeling chronisch zieken en gehandicapten
Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor zijn echtgenote over de jaren 2004 tot en met 2008 op grond van de regeling chronisch zieken en gehandicapten. Na een eerste aanvraag die buiten behandeling werd gesteld wegens ontbrekende stukken, werd een tweede aanvraag afgewezen vanwege het gemeentelijk beleid dat toekenning met terugwerkende kracht niet mogelijk is.
Appellant voerde aan dat de aanvraag beoordeeld had moeten worden aan de hand van het oude beleid zonder terugwerkende kracht-beperking en dat het nieuwe beleid onrechtmatig was vanwege het ontbreken van overgangsrechtelijke bepalingen. Tevens stelde appellant dat de rechtbank vormvereisten had geschonden en dat het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel was geschonden.
De Raad oordeelde dat de eerste aanvraag in rechte vaststaat en dat de tweede aanvraag als nieuwe aanvraag moest worden beoordeeld volgens het beleid per 1 september 2009. Het beleid dat toekenning met terugwerkende kracht in principe niet mogelijk is, is consistent toegepast. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. De beroepsgronden betreffende vormvereisten en beginselen werden verworpen.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht bevestigd.