Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:945

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 april 2020
Publicatiedatum
15 april 2020
Zaaknummer
18-5310 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10a.7 Wsf 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek nihil vaststelling aflossingscapaciteit studiefinanciering 2016

Appellante had studiefinanciering ontvangen waaruit twee schulden zijn voortgekomen die zij moet terugbetalen. De aflosfase van schuld 1 was gestart in 2013, geschorst vanwege een nieuwe studie en hervat in mei 2015. Schuld 2 betreft de periode 2013-2014 en de aflosfase begon in 2017.

Appellante vroeg in januari 2018 om de aflossingscapaciteit voor 2016 op nihil te stellen. De minister wees dit af omdat draagkrachtmeting alleen mogelijk is voor de resterende aflosfase en niet voor vervallen termijnen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat geen bijzondere omstandigheden bestonden om van deze regel af te wijken.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij door onduidelijke informatie van de minister op het verkeerde been was gezet en wees op haar moeilijke financiële situatie als alleenstaande moeder. De Raad oordeelde dat deze gronden onvoldoende zijn en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De minister had appellante ruim voor 2016 duidelijk geïnformeerd over de terugbetalingsverplichting, en het lag op haar weg om bij onduidelijkheid contact op te nemen.

De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de afwijzing van het verzoek om nihil vaststelling van de aflossingscapaciteit voor 2016. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek om de aflossingscapaciteit voor 2016 op nihil vast te stellen is afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

18/5310 WSF

Datum uitspraak: 15 april 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 oktober 2018, 18/1750 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. T.P. Boer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2020. Voor appellante is mr. Boer verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door D.M.C. Zijlstra-Cuiper.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante heeft in het verleden studiefinanciering ontvangen. Daaruit zijn twee schulden uit lening ontstaan die door haar moeten worden terugbetaald. De aflosfase voor schuld 1, die ziet op de periode 2006 tot en met 2010, is gestart op 1 januari 2013. In verband met de start van een nieuwe studie per februari 2013 is de aflosfase van schuld 1 over de periode februari 2013 tot en met april 2015 geschorst en is deze per 1 mei 2015 hervat. De aflosfase voor schuld 2, die ziet op de periode 2013 en 2014, is gestart op 1 januari 2017.
1.2.
Naar aanleiding van een door appellante op 19 januari 2017 ingediende aanvraag om draagkrachtvaststelling heeft de minister de draagkracht van appellante voor 2017 berekend en vastgesteld dat appellante over het jaar 2017 niets van haar (nog resterende) studieschuld hoeft terug te betalen.
1.3.
Op 16 januari 2018 heeft appellante de minister verzocht om de aflossingscapaciteit voor het jaar 2016 op nihil vast te stellen.
1.4.
Bij besluit van 27 februari 2018, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 28 maart 2018 (bestreden besluit), heeft de minister dat verzoek afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat het vaststellen van draagkracht op grond van inkomen ingevolge artikel 10a.7 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) alleen kan plaatsvinden voor de resterende aflosfase.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat op grond van de wet en vaste rechtspraak van de Raad draagkrachtmeting voor reeds vervallen termijnen niet mogelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van individuele omstandigheden van zeer bijzondere aard op grond waarvan de minister met toepassing van de hardheidsclausule had moeten afwijken van artikel 10a.7 van de Wsf 2000. Daartoe is het volgende overwogen. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat de te late aanvraag is veroorzaakt doordat zij door de minister niet of onvoldoende is geïnformeerd. De minister heeft appellante vanaf 6 februari 2016 duidelijke berichten verstuurd waaruit blijkt dat zij haar lening moet terugbetalen. In die berichten stond dat appellante meer informatie over het terugbetalen van haar studieschuld kon vinden op www.duo.nl en een lager maandbedrag of aflossingsvrije periode kon aanvragen door in te loggen op Mijn DUO. Als deze informatie voor appellante niet duidelijk was lag het op haar weg aan de minister om uitleg te vragen. Dat appellante dit niet heeft gedaan dient voor haar rekening en risico te blijven. Wat gesteld is over de zeer slechte financiële situatie levert geen onevenredige hardheid op.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat de minister geen toepassing heeft hoeven geven aan de hardheidsclausule. Daartoe heeft zij, evenals in beroep, gesteld dat zij door de van de zijde van de minister verstrekte, onduidelijke en verwarrende, informatie over de schulden 1 en 2 op het verkeerde been is gezet. Daarnaast heeft zij gewezen op de moeilijke financiële situatie waarin zij als alleenstaande moeder met drie jonge kinderen verkeerde.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft wat in beroep is aangevoerd en in hoger beroep is herhaald in de aangevallen uitspraak besproken en gemotiveerd waarom die gronden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft op hoofdlijnen de overwegingen die tot het oordeel in de aangevallen uitspraak hebben geleid. Daar wordt het volgende aan toegevoegd.
4.2.
Waar de aflosfase van de terugbetaling van schuld 1 al in mei 2015 is hervat valt moeilijk in te zien dat appellante door de brief van 18 juni 2015, waarin haar wordt meegedeeld dat zij in 2014 voor het laatst studiefinanciering heeft ontvangen en zij daarom in 2017 moet beginnen met het terugbetalen van haar schuld, voor wat betreft de terugbetalingsverplichting van schuld 1 op het verkeerde been is gezet. De minister heeft aan appellante, na de hervatting van de aflosfase van schuld 1, maandelijks betalingsverzoeken, herinneringen en aanmaningen gestuurd zodat appellante reeds ruim voor 2016 bekend was met een terugbetalingsverplichting aan de minister. Voor zover het appellante niet duidelijk was op welke schuld deze verplichting betrekking had, had het op haar weg gelegen om tijdig, al dan niet met hulp van een derde, contact op te nemen met de minister.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2020.
(getekend) J. Brand
(getekend) H. Spaargaren