ECLI:NL:CRVB:2020:945
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek nihil vaststelling aflossingscapaciteit studiefinanciering 2016
Appellante had studiefinanciering ontvangen waaruit twee schulden zijn voortgekomen die zij moet terugbetalen. De aflosfase van schuld 1 was gestart in 2013, geschorst vanwege een nieuwe studie en hervat in mei 2015. Schuld 2 betreft de periode 2013-2014 en de aflosfase begon in 2017.
Appellante vroeg in januari 2018 om de aflossingscapaciteit voor 2016 op nihil te stellen. De minister wees dit af omdat draagkrachtmeting alleen mogelijk is voor de resterende aflosfase en niet voor vervallen termijnen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat geen bijzondere omstandigheden bestonden om van deze regel af te wijken.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij door onduidelijke informatie van de minister op het verkeerde been was gezet en wees op haar moeilijke financiële situatie als alleenstaande moeder. De Raad oordeelde dat deze gronden onvoldoende zijn en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De minister had appellante ruim voor 2016 duidelijk geïnformeerd over de terugbetalingsverplichting, en het lag op haar weg om bij onduidelijkheid contact op te nemen.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de afwijzing van het verzoek om nihil vaststelling van de aflossingscapaciteit voor 2016. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om de aflossingscapaciteit voor 2016 op nihil vast te stellen is afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.