ECLI:NL:CRVB:2020:96
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als medewerker in een grillroom en meldde zich ziek wegens psychische klachten na een geweldsincident. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen per 6 juni 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig had gemotiveerd waarom geen urenbeperking werd aangenomen en dat de arbeidsdeskundige de geschiktheid van de geselecteerde functies voldoende had toegelicht.
Appellant voerde in hoger beroep onder meer aan dat zijn hartklachten en rugklachten onvoldoende waren meegewogen en dat een urenbeperking op zijn plaats was. De Raad volgde dit niet, omdat de hartklachten na de datum in geding waren ontstaan en de medische stukken geen onderbouwing boden voor eerdere beperkingen. Ook de rugklachten waren onvoldoende aanleiding voor extra beperkingen.
De Raad oordeelde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht had vastgesteld en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen reden gezien voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige of het toekennen van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van een WIA-uitkering wordt bevestigd.