Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:989

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 april 2020
Publicatiedatum
21 april 2020
Zaaknummer
18-6278 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:104 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd in hoger beroep tegen ongegrond verklaard verzet

Appellante had tegen een terugvordering van een bedrag van €1.281,- bezwaar gemaakt, dat door het college van burgemeester en wethouders van Heerlen ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in, maar slaagde er niet in tijdig de beroepsgronden in te dienen. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Appellante deed verzet tegen deze uitspraak, maar ook dit verzet werd ongegrond verklaard.

In hoger beroep betoogde appellante dat zij wel tijdig beroepsgronden had ingediend en dat haar advocaat niet op de hoogte was van de verzoekbrief van de rechtbank vanwege een niet ontvangen afhaalbericht van PostNL. De Raad toetste of het wettelijk appelverbod doorbroken kon worden vanwege evidente schending van procesorde of fundamentele rechtsbeginselen.

De Raad stelde vast dat bij het eerste beroepschrift geen beroepsgronden waren gevoegd en dat de vaste rechtspraak bepaalt dat het niet ophalen van aangetekende post voor rekening van de ontvanger komt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat geen afhaalbericht is achtergelaten. Appellante maakte dit niet aannemelijk. Ook het betoog dat de rechtspraak verouderd zou zijn, bood geen grond voor doorbreking van het appelverbod.

Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd wegens appelverbod en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

18 6278 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 21 april 2020
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 november 2018, 18/1846 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.J.C. van Bekkum, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2020. Voor appellante is verschenen mr. Van Bekkum. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 16 april 2018 heeft het college een bedrag van in totaal € 1.281,- van appellante teruggevorderd.
1.2.
Bij besluit van 5 juli 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 april 2018 ongegrond verklaard.
1.3.
Appellante heeft op 7 augustus 2018 per fax beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij aangetekende brief van 20 augustus 2018 heeft de rechtbank (de advocaat van) appellante verzocht de gronden van beroep in te dienen binnen vier weken na de datum van de verzending van de brief. Daarbij is vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het verzuim niet binnen de gestelde termijn is hersteld. De brief van 20 augustus 2018 is door (de advocaat van) appellante niet afgehaald, waarna de brief door PostNL op
6 september 2018 is geretourneerd aan de rechtbank.
1.4.
Bij uitspraak van 25 september 2018 heeft de rechtbank het beroep van appellante met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de termijn voor het indienen van de beroepsgronden.
1.5.
Appellante heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak. Bij het verzetschrift heeft appellante als bijlage ook een op 7 augustus 2018 gedateerd beroepschrift gevoegd. Dit beroepschrift bevat, in tegenstelling tot het onder 1.3 genoemde beroepschrift van 7 augustus 2008, wel beroepsgronden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen deze uitspraak gedane verzet met toepassing van artikel 8:55 van Pro de Awb ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De aangevallen uitspraak is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb kan tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep worden ingesteld.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3659) kan voor doorbreking van een wettelijk appelverbod aanleiding zijn indien sprake is van evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk en onafhankelijk proces geen sprake is.
4.3.
Appellante heeft met het oog op de door haar voorgestane doorbreking van het in 4.1 genoemde appelverbod - samengevat - aangevoerd dat op 7 augustus 2018 wel degelijk beroepsgronden zijn ingediend. Voorts heeft zij aangevoerd dat haar advocaat niet bekend was met de aangetekende brief van de rechtbank van 20 augustus 2018 waarin hem verzocht is de gronden van beroep in te dienen, omdat er door PostNL bij het kantoor van de advocaat nooit een afhaalbericht is achtergelaten. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat de vaste rechtspraak van de Raad dat het niet afhalen van een correct geadresseerde aangetekend verzonden brief voor rekening van de ontvanger dient te komen, niet meer van deze tijd is omdat de postbezorging niet meer zo betrouwbaar is als vroeger.
4.4.
Met de rechtbank moet worden vastgesteld dat bij het indienen per fax van het beroepschrift op 7 augustus 2018 de beroepsgronden hebben ontbroken. Voorts dient te worden gewezen op de vaste rechtspraak over de bezorging van correct geadresseerde aangetekende poststukken (uitspraak van 7 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8499). Daarin komt naar voren dat indien een besluit of uitspraak (of in dit geval de verzuimherstelbrief van 20 augustus 2018) per aangetekende post is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, dient te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Wanneer PostNL bij aanbieding van het stuk niemand thuis aantreft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat stuk bij het kantoor van PostNL voor rekening en risico van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende geen afhaalbericht te hebben ontvangen, dan ligt het op zijn weg feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. Zulke feiten heeft appellant niet aannemelijk gemaakt.
4.5.
In wat appellante heeft aangevoerd over de gedateerdheid van deze rechtspraak wordt geen grond gezien voor doorbreking van het appelverbod. Daaruit blijkt niet dat sprake is van evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk en onafhankelijk proces geen sprake is.
4.6.
Gelet op 4.1 tot en met 4.5 dient de Raad zich onbevoegd te verklaren.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2020.
(getekend) J.L. Boxum
(getekend) J.B. Beerens