ECLI:NL:CRVB:2020:991
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond met haar kinderen ingeschreven op een adres. De vader van de kinderen, X, stond op een ander adres ingeschreven. Het college stelde een onderzoek in naar mogelijke schijnverlating omdat X op een ander adres stond ingeschreven dan appellante en de kinderen.
Het onderzoek bestond uit dossieronderzoek, raadpleging van registraties, waarnemingen nabij het uitkeringsadres, een onaangekondigd huisbezoek en verklaringen van appellante en X. Het college trok de bijstand in per 1 maart 2015 en vorderde de kosten terug over de periode tot 31 juli 2016 wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding en dat de waarnemingen in strijd waren met artikel 8 EVRM Pro vanwege stelselmatige observatie. De Raad oordeelde dat X zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had, dat de waarnemingen beperkt en niet stelselmatig waren, en dat het beroep ongegrond was.
De Raad bevestigde de intrekking van de bijstand en de terugvordering. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 21 april 2020.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.