ECLI:NL:CRVB:2021:1006
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, werkzaam als afwashulp, meldde zich ziek in 2010 vanwege psychische klachten en ontving vanaf 2012 een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2016 stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de WIA-uitkering per 3 maart 2017. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank benoemde een onafhankelijke deskundige die concludeerde dat appellant lichte tot matige psychiatrische beperkingen heeft, maar dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) passend is.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep voegde toe dat appellant weliswaar een jobcoach nodig heeft vanwege verminderde initiatiefname, maar dat dit geen aanleiding geeft tot aanpassing van de FML of tot het erkennen van een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De werkgever onderschreef dit standpunt. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de beperkingen ernstiger zijn en dat de geselecteerde functies niet passend zijn, met name de functie productiemedewerker machinaal inpakken.
De Raad oordeelt dat de deskundige en verzekeringsarts de beperkingen juist hebben vastgesteld en dat de FML adequaat rekening houdt met de psychische beperkingen van appellant. De jobcoach is een tijdelijke re-integratievoorziening en impliceert geen permanente begeleiding. De geselecteerde functies zijn medisch passend, ook de functie machinaal inpakken. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De beëindiging van de WIA-uitkering is terecht en wordt bevestigd.