Werkneemster viel op 4 december 2012 uit voor haar werk als machinebediende en kreeg aanvankelijk een WIA-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van circa 40-45%. Na bezwaar en herbeoordeling door het Uwv werd de mate van arbeidsongeschiktheid verhoogd naar 80-100% op 2 december 2014. Werkgever stelde dat aanvullende beperkingen niet waren vastgesteld en dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was.
De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke psychiater die concludeerde dat werkneemster ernstige concentratieproblemen en psychiatrische klachten had, wat leidde tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreef deze conclusies en motiveerde dat de beperkingen niet duurzaam waren vanwege behandelbaarheid en kans op herstel.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van werkgever ongegrond. Tevens werd vastgesteld dat het Uwv terecht slechts één passende functie kon aanwijzen, wat de hoge mate van arbeidsongeschiktheid rechtvaardigt. De Raad oordeelde dat de redelijke termijn van de procedure met ruim twee jaar was overschreden, waardoor een schadevergoeding van in totaal €2.500,- werd toegekend, waarvan €463,- voor rekening van het Uwv en €2.037,- voor de Staat.
Daarnaast werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van werkneemster ad €1.869,-. De uitspraak werd gedaan door H.G. Rottier op 29 april 2021.