ECLI:NL:CRVB:2021:102
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde pgb-voorschotten wegens onvoldoende bewijs AWBZ-zorg
Appellante ontving voor 2013 en 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) voor AWBZ-zorg. Het zorgkantoor keurde de verantwoordingsformulieren af en stelde het pgb op nihil vast, waarna onverschuldigde voorschotten werden teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellante niet voldeed aan de administratieve verplichtingen en onvoldoende inzicht gaf in de aard en omvang van de geleverde zorg.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en dat het zorgkantoor meerdere besluiten had moeten nemen. De Raad oordeelde dat het zorgkantoor meerdere beslissingen in één besluit mag samenvoegen en dat het bestreden besluit voldoende gemotiveerd is.
De Raad bevestigde dat de administratieve stukken onvoldoende duidelijkheid geven over de geleverde AWBZ-zorg, mede door onduidelijke facturen, ontbrekende urenregistraties en inconsistenties in de administratie. De verantwoordelijkheid voor correcte verantwoording ligt bij appellante. De Raad verwierp het betoog dat het zorgkantoor een zorgplicht had om eerder te waarschuwen.
Omdat appellante niet voldeed aan de verplichtingen, was het zorgkantoor bevoegd het pgb op nihil vast te stellen en de voorschotten terug te vorderen. De invordering valt buiten de omvang van het geding. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.