ECLI:NL:CRVB:2021:1036
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing ziekengeld na eerstejaars Ziektewetbeoordeling
Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek met knieklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen en beëindigde het ziekengeld.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar lichamelijke en psychische klachten onvoldoende waren meegewogen, met name artrose in handen en knieën en een angststoornis. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen passend waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV. De Raad vond dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de ingediende aanvullende stukken geen aanleiding gaven tot twijfel. Ook de geschiktheid van de functies waarop de beoordeling was gebaseerd werd bevestigd.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; appellante behoudt geen recht op ziekengeld.