ECLI:NL:CRVB:2021:1046

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 mei 2021
Publicatiedatum
7 mei 2021
Zaaknummer
20/3384 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Ambtenarenwet 2017Art. 3:15 Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging garantietoelage zonder strijd met rechtszekerheidsbeginsel

Appellant was tot 1 januari 2018 werkzaam bij een gemeente en ontving een garantietoelage die het verschil compenseerde tussen een te hoog berekende toelage onregelmatige dienst (TOD) en de juiste berekening vanaf 1 januari 2016. Na zijn overgang naar 1Stroom behield hij deze garantietoelage. Het dagelijks bestuur besloot de garantietoelage te verlagen en te vervangen door een buitendagvenstervergoeding.

Appellant maakte bezwaar tegen deze verlaging, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de garantietoelage niet verlaagd mocht worden omdat bij de toekenning geen voorbehoud was gemaakt over aanpassing bij wijziging van salarisregels. De Raad oordeelde dat de garantietoelage bedoeld was als compensatie tot het oude niveau van de TOD en dat de verlaging samen met de buitendagvenstervergoeding het totaalbedrag van €259,92 per maand handhaafde.

De Raad concludeerde dat appellant hierdoor financieel niet slechter werd gesteld en dat er geen strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: De verlaging van de garantietoelage naar €125,94 per maand is terecht en wordt bevestigd.

Uitspraak

20.3384 AW

Datum uitspraak: 7 mei 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
27 augustus 2020, 19/5661 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van 1Stroom (dagelijks bestuur)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S. Bakker hoger beroep ingesteld.
Namens het dagelijks bestuur heeft mr. B.J. Boiten, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bakker. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Boiten, E. Fontein en T. Boonman.

OVERWEGINGEN

1.1.
Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 zijn bekendgemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.
1.2.
Appellant was tot 1 januari 2018 werkzaam bij de gemeente [gemeente]. Bij besluit van 17 februari 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van [gemeente] met toepassing van artikel 3:15 van Pro de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) aan appellant met ingang van 1 januari 2016 een garantietoelage toegekend van € 193,47 per maand. Deze garantietoelage bedraagt het verschil tussen de tot 1 januari 2016 te hoog berekende toelage onregelmatige dienst (TOD) en de vanaf 1 januari 2016 op juiste wijze berekende TOD. Daarbij is aan appellant medegedeeld dat de garantietoelage wordt verlaagd als appellant in de toekomst in een hogere salarisschaal wordt ingepast en dat de garantietoelage vervalt als appellant vrijwillig een functie accepteert waarvoor geen TOD geldt.
1.3.
Vanaf 1 januari 2018 is appellant, als gevolg van het overgaan van zijn werkzaamheden, werkzaam bij 1Stroom in de functie van [naam functie], team [naam team]. Bij de aanstelling heeft het dagelijks bestuur aan appellant medegedeeld dat hij zijn garantietoelage behoudt.
1.4.
Bij brief van 28 februari 2019 heeft het dagelijks bestuur aan appellant medegedeeld dat hij vanaf 1 april 2019 een buitendagvenstervergoeding ontvangt en deze vergoeding in de plaats komt van de TOD en de garantietoelage. Voorts heeft het dagelijks bestuur aan appellant kenbaar gemaakt dat het voornemens is met ingang van diezelfde datum de garantietoelage van appellant te laten vervallen en hem een afbouwtoelage toe te kennen. Bij besluit van 1 april 2019 (primair besluit) heeft het dagelijks bestuur overeenkomstig het voornemen beslist.
1.5.
Bij besluit van 29 augustus 2019 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en met ingang van september 2019 de garantietoelage van appellant verlaagd naar € 125,94 per maand.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant stelt dat het dagelijks bestuur de garantietoelage niet heeft mogen verlagen, omdat bij het toekennen van de garantietoelage niet het voorbehoud werd gemaakt dat deze zou worden aangepast indien de salarisregels in de CAR-UWO zouden veranderen. Dit betoog slaagt niet. Appellant is overeenkomstig het besluit van 17 februari 2016 vanaf 1 januari 2016 een TOD van € 66,45 per maand en een garantietoelage van € 193,47 per maand gaan ontvangen. Het totaal van deze bedragen, te weten € 259,92 is gelijk aan het bedrag dat appellant maandelijks aan TOD ontving vóór 1 januari 2016. Deze garantietoelage is wat de omvang betreft kennelijk zo berekend, dat het oude niveau van de toelage voor onregelmatige dienst € 259,92 zou worden gehandhaafd. Voorts is bij besluit van 17 februari 2016 aan appellant medegedeeld dat de garantietoelage wordt verlaagd als appellant in de toekomst in een hogere salarisschaal wordt ingepast en dat de TOD én de garantietoelage vervallen als appellant vrijwillig een functie accepteert waarop een toeslag onregelmatige dienst niet van toepassing is. Naar het oordeel van de Raad moet uit een en ander worden afgeleid dat met de garantietoelage is beoogd appellant een compensatie toe te kennen voor gederfde inkomsten tot het niveau van € 259,92 van de TOD vóór 1 januari 2016, zoals door het dagelijks bestuur is bevestigd in de brief van 28 februari 2019.
4.2.
Vanaf 1 april 2019 ontvangt appellant een buitendagvenstervergoeding van € 133,98 per maand. Met de verlaging van de garantietoelage naar € 125,94 per maand is appellant financieel niet in een slechtere positie gebracht, omdat hij met de verlaagde garantietoelage nog steeds het totaal van € 259,92 ontvangt. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is reeds daarom geen sprake.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2021.
(getekend) H. Lagas
(getekend) B.H.B. Verheul