ECLI:NL:CRVB:2021:1050
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen beëindiging Ziektewetuitkering wegens onjuiste beperkingenbeoordeling
Appellante was commercieel medewerker en meldde zich ziek op 19 augustus 2013. Zij ontving een Ziektewetuitkering die na een eerstejaarsbeoordeling werd voortgezet op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 mei 2014. Bij een toetsing in het tweede ziektejaar stelde een verzekeringsarts op 14 januari 2015 beperkingen vast die leidden tot een FML waarop het UWV de ZW-uitkering per 27 februari 2015 beëindigde omdat appellante meer dan 65% van haar maatmanloon zou kunnen verdienen.
Appellante maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, ondersteund door medische rapporten, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep werd een onafhankelijk deskundigenadvies ingewonnen, dat concludeerde dat appellante meer beperkingen had dan in de FML van januari 2015 was weergegeven en dat zij niet in staat was de geselecteerde functies te verrichten. Het UWV erkende dit en meldde dat de ZW-uitkering ten onrechte was beëindigd.
De Raad vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en herroept het besluit van 26 januari 2015. Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn van bijna twee jaar, en werden het UWV en de Staat veroordeeld in de proceskosten van appellante. Het griffierecht werd eveneens aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering wordt herroepen en de Staat wordt veroordeeld tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.