ECLI:NL:CRVB:2021:106
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor woninginrichting, leges en verhuiskosten wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellante, die bijstand ontving en onder beschermingsbewind stond, had bijzondere bijstand aangevraagd voor woninginrichting, legeskosten voor een verblijfsvergunning en verhuiskosten. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees deze aanvragen af omdat de verhuizing niet medisch noodzakelijk was en voorzienbaar, de legeskosten reeds waren betaald via de bewindvoerder, en de verhuiskosten onder de gemeente van vertrek vielen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad overwoog dat de kosten van woninginrichting wel noodzakelijk waren, maar niet voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden omdat de verhuizing al lang voorzienbaar was. De medische situatie van appellante rechtvaardigde geen spoedige verhuizing.
Voor de legeskosten was vastgesteld dat deze reeds waren voldaan door de bewindvoerder, waardoor geen bijzondere bijstand meer nodig was. De verhuiskosten vielen onder de gemeente van vertrek, Denem, en niet onder Den Haag, waardoor het college terecht de aanvraag afwees.
De Raad concludeerde dat appellante onvoldoende had onderbouwd dat zij niet uit de bijstandsnorm kon reserveren en dat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren die bijzondere bijstand rechtvaardigden. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor woninginrichting, legeskosten en verhuiskosten wordt bevestigd.