ECLI:NL:CRVB:2021:1076
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid bestuur tot tussentijdse wijziging voorwaarden nevenwerkzaamheden ambtenaar
Appellant werkt sinds 2005 bij Maastricht UMC+ en verricht daarnaast nevenwerkzaamheden als zzp’er. In 2017 werd hem toestemming gegeven voor nevenwerkzaamheden tot 200 uur per jaar. In 2019 stelde het bestuur aanvullende voorwaarden vanwege mogelijke belangenverstrengeling tussen zijn functie en nevenwerkzaamheden, waaronder een verbod op werkzaamheden bij commerciële bedrijven met zakelijke relaties met MUMC+.
Appellant maakte bezwaar tegen deze wijziging, maar het bestuur handhaafde de voorwaarden met een afbouwregeling voor lopende werkzaamheden. De rechtbank oordeelde dat het bestuur op grond van de CAO UMC bevoegd was de voorwaarden te wijzigen en dat de termijn voor afbouw niet onredelijk was.
In hoger beroep betoogde appellant dat het bestuur niet tussentijds voorwaarden mocht wijzigen en dat er geen belangenverstrengeling bestond. De Raad volgde dit niet en stelde dat het bestuur beoordelingsvrijheid heeft en de wijziging in redelijkheid kon plaatsvinden. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat de functies van collega’s verschillen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het bestuur bevoegd is om de voorwaarden voor nevenwerkzaamheden tussentijds te wijzigen en wijst het hoger beroep af.