ECLI:NL:CRVB:2021:109
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde bijstand na verhuizing en intrekking
Appellant ontving bijstand van de gemeente Alkmaar, maar verhuisde per 1 december 2017 naar een andere gemeente. Het college trok de bijstand met ingang van die datum in, maar betaalde door tot 28 februari 2018 vanwege een administratieve fout.
Het college vorderde de onverschuldigd betaalde bijstand van € 1.835,06 terug op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de Participatiewet. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat hij niet kon begrijpen dat de bijstand onverschuldigd was, vanwege persoonlijke omstandigheden zoals dakloosheid, het overlijden van zijn moeder en een laag IQ.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat appellant redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de bijstand onverschuldigd was betaald, mede omdat hij het college telefonisch had geïnformeerd over zijn verhuizing, was ingeschreven op het nieuwe adres en een aanvraag bijstand had ingediend in de nieuwe gemeente. Dringende redenen om van terugvordering af te zien waren niet aannemelijk gemaakt.
De Raad bevestigde de terugvordering en wees proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde bijstand door het college.