ECLI:NL:CRVB:2021:1095
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende urenbeperking
Appellante was sinds 2010 ziek gemeld met rug- en psychische klachten en ontving een WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2017 stelde een verzekeringsarts een functionele mogelijkhedenlijst (FML) op met beperkingen waardoor geen passende functies konden worden geselecteerd. Het UWV handhaafde de uitkering. De ex-werkgever maakte bezwaar en stelde dat appellante duurzaam volledig arbeidsongeschikt was, wat leidde tot een nieuw onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze arts concludeerde minder beperkingen en stelde een nieuwe FML op, waarop het UWV de uitkering beëindigde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat de urenbeperking onvoldoende was onderbouwd, mede omdat de psychiater van appellante de standaard voor duurbelastbaarheid niet had toegepast. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen waren onderschat en dat een urenbeperking van twintig uur per week wel degelijk aan de orde was, gesteund door haar psychiater.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht was afgeweken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts en de psychiater, omdat deze laatste niet de standaard toepaste die verzekeringsartsen gebruiken. Er was geen aanleiding om te twijfelen aan de vastgestelde belastbaarheid en geschiktheid van functies. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing van een urenbeperking.