ECLI:NL:CRVB:2021:1102

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 mei 2021
Publicatiedatum
12 mei 2021
Zaaknummer
20/1415 AW-W2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:18 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:119 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Centrale Raad van Beroep bij verzoek herziening beslissing wraking

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag en vervolgens een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter. Dit wrakingsverzoek werd op 23 april 2021 niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker vroeg daarop om herziening van deze beslissing. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat herziening van een beslissing op een wrakingsverzoek niet mogelijk is, omdat artikel 8:18, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat tegen een beslissing op een wrakingsverzoek geen rechtsmiddel openstaat.

De Raad benadrukt dat herziening een bijzonder rechtsmiddel is en dat de voorwaarden voor herziening, zoals genoemd in artikel 8:119 Awb Pro, niet van toepassing zijn op wrakingsbeslissingen. Daarom verklaart de Raad zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om herziening. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter E.J.M. Heijs, in aanwezigheid van griffier P.W.J. Hospel, en uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2021.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek om herziening van de beslissing op het wrakingsverzoek.

Uitspraak

20/1415 AW-W2, 20/1416 AW-W2
Datum beslissing: 7 mei 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om herziening van de beslissing van de Raad van 23 april 2021, 20/1415 AW-W, 20/1416 AW-W
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 maart 2020, 19/3725 en 19/4625, in het geding tussen verzoeker en de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
In het kader van dit hoger beroep heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechter. Dit verzoek is op 23 april 2021 niet-ontvankelijk verklaard (ECLI:NL:CRVB:2021:956).
Op 3 mei 2021 heeft verzoeker verzocht om herziening van de beslissing van 23 april 2021.

OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel is, voor zover hier van belang, artikel 8:54 van Pro de Awb van overeenkomstige toepassing.
Herziening van een uitspraak is een bijzonder rechtsmiddel (ECLI:NL:CRVB:2014:444). Artikel 8:18, vijfde lid, van de Awb bepaalt dat tegen de beslissing op een wrakingsverzoek geen rechtsmiddel openstaat. Dat betekent dat er geen mogelijkheid bestaat om herziening te vragen van een beslissing op een verzoek om wraking.
De Raad is dan ook kennelijk onbevoegd kennis te nemen van het verzoek, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2021.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) P.W.J. Hospel
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.