Appellant, erkend als oorlogsslachtoffer met psychische klachten, verzocht om uitbreiding van de vergoeding voor huishoudelijke hulp van één naar twee dagdelen per week. Dit verzoek werd door verweerder afgewezen wegens het ontbreken van medische noodzaak. De Raad toetste het besluit en concludeerde dat het medisch advies waarop verweerder zich baseerde inconsistenties bevatte.
De geneeskundig adviseur stelde dat er geen sprake was van chaotisch gedrag of zelfverwaarlozing, maar de Raad vond op basis van aanvullende rapportages en de eigen bevindingen dat appellant wel degelijk initiatief neemt, maar dit door psychische klachten niet kan voltooien, wat duidt op (zelf)verwaarlozing en chaotisch gedrag.
Daarom oordeelde de Raad dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was en vernietigde het. Verweerder werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van appellant.