ECLI:NL:CRVB:2021:1107

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 mei 2021
Publicatiedatum
12 mei 2021
Zaaknummer
20/3016 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16, tweede lid, AW 2017Art. 3 Tijdelijke regeling overstap naar een niet substantieel bezwarende functieArt. 6 Tijdelijke regeling overstap naar een niet substantieel bezwarende functieArt. 7 Tijdelijke regeling overstap naar een niet substantieel bezwarende functieArt. 59, derde lid, Algemeen Rijksambtenarenreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag arrangement B voor overstap naar niet substantieel bezwarende functie

Appellant, sinds 2006 werkzaam in een substantieel bezwarende functie, vroeg om toekenning van arrangement B op grond van de Tijdelijke regeling overstap naar een niet substantieel bezwarende functie. Dit arrangement ondersteunt ambtenaren die tussen tien en twaalf dienstjaren hebben om via scholing over te stappen naar een andere functie.

De minister wees de aanvraag af omdat de door appellant gekozen bachelor European Studies onvoldoende duidelijk bijdraagt aan de beoogde overstap, mede op basis van een overgelegde vacature en het mobiliteitsplan dat zich richtte op juridische functies waarvoor een universitaire studie vereist is. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel in hoger beroep.

De Raad oordeelt dat de minister in redelijkheid tot afwijzing kon besluiten omdat niet aannemelijk is dat de studie de kansen op de arbeidsmarkt substantieel vergroot. Tevens wijst de Raad erop dat appellant vrij staat om scholingsfaciliteiten aan te vragen conform de CAO Rijk. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag van appellant voor arrangement B.

Uitspraak

20.3016 AW

Datum uitspraak: 12 mei 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
24 juli 2020, 19/2966 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Justitie en Veiligheid (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft [X] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door [X]. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Koene.

OVERWEGINGEN

1.1.
Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 zijn bekendgemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.
1.2.
Appellant is sinds 18 december 2006 aaneengesloten aangesteld geweest in een substantieel bezwarende functie (SB-functie), laatstelijk als [naam functie] bij de Dienst [dienst].
1.3.
Bij besluit van 7 maart 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 juli 2019 (bestreden besluit), heeft de minister de aanvraag van appellant om toekenning van arrangement B, zoals bedoeld in de Tijdelijke regeling overstap naar een niet substantieel bezwarende functie (Tijdelijke regeling), afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 3 van Pro de Tijdelijke regeling is bepaald dat de minister met de ambtenaar die tussen de tien en twaalf dienstjaren heeft in een SB-functie loopbaanafspraken kan maken gericht op de overstap naar een andere functie. De minister kan hierbij aan de ambtenaar één van de volgende arrangementen toekennen:
a. de ambtenaar volgt een opleiding en wordt ondersteuning geboden bij de invulling en uitvoering van de overstap naar een andere functie met behoud van de salarisschaal of met een aanvulling van het inkomen, of
b. de ambtenaar volgt een opleiding gericht op de overstap naar een andere functie en ontvangt een loopbaanpremie waarop de in verband met de studie gemaakte scholingskosten in mindering worden gebracht, of
c. de ambtenaar ontvangt een loopbaanpremie.
4.2.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke regeling wordt, indien aan de ambtenaar het arrangement, bedoeld in artikel 3, onder b, wordt toegekend, een door de ambtenaar en de minister ondertekend mobiliteitsplan opgesteld, waarbij wordt afgesproken dat de ambtenaar een opleiding gericht op de overstap naar een andere functie gaat volgen. Op grond van het tweede lid van deze regeling worden, indien de ambtenaar een studie volgt of gaat volgen die aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van de in het mobiliteitsplan vastgelegde loopbaanafspraken, studiefaciliteiten als bedoeld in artikel 59, derde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement toegekend.
4.3.
Artikel 7, eerste lid, van de Tijdelijke regeling bepaalt vervolgens dat, indien aan de ambtenaar het arrangement, bedoeld in artikel 3, onder b of c wordt toegekend, hem een loopbaanpremie wordt toegekend.
4.4.
Ter zitting van de Raad heeft appellant verklaard dat hij de vierjarige hbo-bachelor European Studies wenst te gaan volgen.
4.5.
Appellant stelt dat de minister zijn aanvraag niet had mogen afwijzen, omdat hij aan alle voorwaarden voor arrangement B voldoet. Dit betoog slaagt niet. Uit artikel 3, onder b, en artikel 6, eerste en tweede lid, van de Tijdelijke regeling blijkt dat de opleiding gericht moet zijn op de overstap naar een andere functie en aantoonbaar moet bijdragen aan het realiseren van de in het mobiliteitsplan vastgelegde loopbaanafspraken. Appellant heeft in het bij zijn aanvraag gevoegde formulier Model plan van aanpak 2e carrière, zijn mogelijke carrière na SB functie toegespitst op beroepsmogelijkheden voor juristen. Zo wordt onder ‘Waaruit blijkt dat er voor deze branche uitzicht op werk bestaat’ en ‘Waaruit blijkt dat de opleiding die wordt ingezet, de kansen op de arbeidsmarkt aantoonbaar verhoogt’ alleen ingegaan op juridische functies. Voorts worden in de samenvatting functies vermeld waarvoor een universitaire studie rechtsgeleerdheid is vereist. Ook uit de door appellant in hoger beroep overgelegde vacature voor de functie van [functie X] blijkt onvoldoende duidelijk dat de bachelor European Studies de kansen van appellant op de arbeidsmarkt vergroot. Het ligt niet voordehand dat deze studie, waarbij de Europese Unie centraal staat een directe toegang tot een functie als [functie X] biedt. De minister heeft dan ook in redelijkheid de aanvraag van appellant kunnen afwijzen. Ten overvloede merkt de Raad nog op dat, zoals de minister bij brief van 11 juni 2020 aan appellant heeft medegedeeld, het appellant vrij staat om scholingsfaciliteiten conform hoofdstuk 12 van de CAO Rijk aan te vragen.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) M.E. van Donk