ECLI:NL:CRVB:2021:1110

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 mei 2021
Publicatiedatum
12 mei 2021
Zaaknummer
20/3422 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 WuvArt. 19 WuvArt. 59 Wuv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging uitkering na overlijden echtgenoot volgens Wuv

Appellante, een vervolgde en uitkeringsgerechtigde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), maakte bezwaar tegen de verlaging van haar uitkering na het overlijden van haar echtgenoot. De Sociale Verzekeringsbank had de uitkering opnieuw vastgesteld en het uitkeringspercentage verlaagd naar 60%, het percentage voor alleenstaande vervolgden vanaf de pensioengerechtigde leeftijd.

Appellante voerde aan dat haar overige inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht mochten worden vanwege haar maandelijkse kosten. De Raad oordeelde dat artikel 19 van Pro de Wuv uitdrukkelijk bepaalt welke inkomsten op de uitkering in mindering moeten worden gebracht, namelijk in beginsel alle inkomsten, en dat van deze dwingende bepaling niet mag worden afgeweken.

Verder erkende de Raad dat appellante de mogelijkheid heeft om ongedekte medische kosten voortvloeiend uit haar epilepsie, die verband houdt met de vervolging, te declareren. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de verlaging van haar uitkering blijft in stand.

Uitspraak

20.3422 WUV

Datum uitspraak: 12 mei 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (U.S.A.) (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 30 juli 2020, kenmerk BZ011373159 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2021. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is vervolgde en uitkeringsrechtigde in de zin van de Wuv. Vanwege het overlijden van haar echtgenoot op [sterfdatum] 2020 en het als gevolg daarvan opnieuw vaststellen van de uitkering is appellante verzocht informatie te verstrekken over haar inkomsten.
1.2.
Bij beschikking van 13 maart 2020 is het voorschot van de uitkering bepaald op € 1.049,06 per maand. Na ontvangst van de benodigde financiële gegevens is de uitkering van appellante bij besluit van 14 juli 2020 opnieuw vastgesteld en met ingang van 1 februari 2020 bepaald op € 1.058,68 bruto per maand. Het uitkeringspercentage is verlaagd naar 60. Daarbij is vermeld dat de Social Security-uitkering en het vermogen als inkomstenbronnen in aanmerking zijn genomen en dat daarvan € 640,38 aan inkomsten op de uitkering wordt gekort. De tegen deze besluiten gemaakte bezwaren gericht tegen de hoogte (van het voorschot op) de uitkering zijn bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.
2.1.
Als gevolg van het overlijden van de echtgenoot van appellante is verweerder gehouden op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wuv de uitkering van appellante opnieuw vast te stellen. Daarbij dient verweerder op grond van artikel 10 van Pro de Wuv het uitkeringspercentage van de aan appellante toekomende uitkering nader te bepalen op 60, het uitkeringspercentage dat geldt voor een alleenstaande vervolgde vanaf de pensioengerechtigde leeftijd.
2.2.
Appellante verzoekt haar overige inkomsten niet op haar uitkering in mindering te brengen gezien de maandelijkse kosten die zij heeft. Dit betoog treft geen doel. In artikel 19 van Pro de Wuv is uitdrukkelijk bepaald welke inkomsten op de uitkering in mindering dienen te worden gebracht. Het gaat daarbij in beginsel om alle inkomsten. Van die dwingende bepaling kan en mag verweerder niet afwijken. Dat appellante door het overlijden van haar echtgenoot zich geconfronteerd ziet met een (aanzienlijke) inkomensachteruitgang kan niets veranderen aan de wettelijke plicht van verweerder om de inkomsten van appellante te verrekenen met haar uitkering. Ook verder is geen grond gevonden voor het oordeel dat verweerder de uitkering van appellante onjuist heeft vastgesteld.
2.3.
De Raad wil nog wel het volgende opmerken. Uit het verweerschrift komt naar voren dat verweerder alsnog heeft aanvaard dat de epilepsie van appellante voortvloeit uit de ondergane vervolging en dat om die reden de eventuele ongedekte medische kosten die hiermee gepaard gaan voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Dit betekent dat appellante de mogelijkheid heeft een aanvraag in te dienen voor een vergoeding van deze ongedekte medische kosten.
2.4.
Uit 2.2 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond
.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021.
(getekend) H. Lagas
(getekend) M. Buur