Uitspraak
20.3422 WUV
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een vervolgde en uitkeringsgerechtigde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), maakte bezwaar tegen de verlaging van haar uitkering na het overlijden van haar echtgenoot. De Sociale Verzekeringsbank had de uitkering opnieuw vastgesteld en het uitkeringspercentage verlaagd naar 60%, het percentage voor alleenstaande vervolgden vanaf de pensioengerechtigde leeftijd.
Appellante voerde aan dat haar overige inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht mochten worden vanwege haar maandelijkse kosten. De Raad oordeelde dat artikel 19 van Pro de Wuv uitdrukkelijk bepaalt welke inkomsten op de uitkering in mindering moeten worden gebracht, namelijk in beginsel alle inkomsten, en dat van deze dwingende bepaling niet mag worden afgeweken.
Verder erkende de Raad dat appellante de mogelijkheid heeft om ongedekte medische kosten voortvloeiend uit haar epilepsie, die verband houdt met de vervolging, te declareren. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de verlaging van haar uitkering blijft in stand.