ECLI:NL:CRVB:2021:1118
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na herbeoordeling
Appellante was sinds 2010 ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten en ontving vanaf 2012 een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2017 stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen adequaat waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen door chronische PTSS, chronisch pijnsyndroom en andere klachten onvoldoende waren meegenomen. Zij overlegde medische stukken ter onderbouwing. De Raad concludeert echter dat de verzekeringsartsen van het UWV de klachten zorgvuldig hebben beoordeeld en voldoende beperkingen hebben vastgesteld. Er zijn geen medische gegevens die aanleiding geven tot aanvullende beperkingen.
De Raad volgt de rechtbank ook in het oordeel dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor appellante. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.