ECLI:NL:CRVB:2021:1130
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over mate arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering
Betrokkene was werkzaam als medewerkster boekhouding en viel op 19 november 2012 uit wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV kende aanvankelijk een WIA-uitkering toe met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na herbeoordelingen stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op circa 73%, wat leidde tot een loonaanvullende WIA-uitkering.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten en voerde aan dat betrokkene recht had op een IVA-uitkering vanwege volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. De rechtbank oordeelde dat appellante haar standpunt niet met nieuwe medische gegevens had onderbouwd en dat de beperkingen van betrokkene passend waren voor de geselecteerde functies. De rechtbank vernietigde het besluit alleen voor zover het ging om de vergoeding van de bezwaarkosten.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, maar zonder nieuwe feiten of medische stukken. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat de mate van arbeidsongeschiktheid 73,39% bedraagt. Er was geen sprake van een situatie die recht geeft op een IVA-uitkering. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat betrokkene 73,39% arbeidsongeschikt is en geen recht heeft op een IVA-uitkering.