Uitspraak
15 augustus 2019, 18/3177 en 18/3206 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een WW-uitkering en meldde zich ziek wegens lichamelijke klachten. Na 104 weken werd een WIA-uitkering geweigerd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, geschikt voor diverse functies volgens de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Na hernieuwde ziekmelding met psychische klachten kende het UWV een Ziektewetuitkering toe, die later werd beëindigd wegens geschiktheid voor arbeid.
Appellant maakte bezwaar tegen de beëindiging en weigering van de ZW-uitkering, maar het UWV handhaafde de besluiten op basis van medisch onderzoek door verzekeringsartsen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen passend waren, ook rekening houdend met de ziekte van Wilson.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de belastbaarheid werd overschat en dat de progressiviteit van de ziekte van Wilson onvoldoende was meegewogen. Nieuwe medische stukken werden overgelegd, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat deze geen aanleiding gaven tot wijziging van het standpunt over belastbaarheid.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en acht de beperkbaarheid van appellant passend binnen de FML van 2017. De medische informatie ondersteunt geen andere beoordeling van de arbeidsgeschiktheid. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Ziektewetuitkering bevestigd.