ECLI:NL:CRVB:2021:1145
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing dwangsom wegens prematuur ingediende ingebrekestelling bij dieetkostenvergoeding
Appellante ontving op grond van een besluit van 8 maart 2016 een dieetkostenvergoeding die vanaf januari 2017 niet meer werd uitbetaald. Zij diende op 31 januari 2017 een bezwaarschrift in zonder inhoudelijke gronden. Vervolgens diende haar gemachtigde ook een bezwaarschrift in zonder gronden, maar vroeg om een termijn voor aanvulling. Het college verleende deze termijn en schortte de beslistermijn op, waardoor de termijn verlengd werd tot 22 mei 2017.
Appellante stelde op 28 april 2017 een ingebrekestelling in, maar deze was prematuur omdat de beslistermijn nog niet was verstreken. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de afwijzing van de dwangsom. Verder wees de Raad het verzoek om schadevergoeding af.
Appellante voerde nog aan dat de uitspraak van de rechtbank niet voldeed aan de wettelijke vereisten, maar de Raad oordeelde dat de rechtbank voldoende gemotiveerd had en dat appellante zelf de juridische vertaling van haar gronden had gegeven. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De dwangsom werd afgewezen omdat de ingebrekestelling te vroeg was ingediend en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.