ECLI:NL:CRVB:2021:1146
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering IOAW wegens niet gemelde pensioenuitkeringen
In deze zaak bevestigt de Centrale Raad van Beroep de uitspraken van de rechtbank Rotterdam waarin de intrekking en terugvordering van kosten van een IOAW-uitkering over de periode van 1 juli 2019 tot en met 31 oktober 2019 werd opgelegd. De terugvordering bedraagt €3.107,83 en daarnaast is een boete van €1.264,66 opgelegd wegens het niet melden van ontvangen pensioenuitkeringen en een te lang verblijf in het buitenland.
Appellanten stelden dat zij geen melding hoefden te maken van de pensioenuitkeringen omdat hun dochter de administratie verzorgde en de aanvraag voor het pensioen namens hen had gedaan, zonder dat zij hiervan op de hoogte waren. De dochter ging ervan uit dat het pensioenfonds de uitkeringen automatisch zou doorgeven aan het college. De Raad oordeelde dat deze stellingen niet zijn onderbouwd en dat het pensioen door of namens appellanten is aangevraagd, waardoor zij op de hoogte hadden moeten zijn van de uitkeringen.
De Raad concludeert dat appellanten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat het college terecht een boete heeft opgelegd. De boete is proportioneel geacht gezien de ernst van de overtreding en de omstandigheden. De aangevoerde bijzondere omstandigheden leiden niet tot het afzien van terugvordering of boete. De aangevallen uitspraken worden bevestigd en er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van IOAW-uitkeringen en de opgelegde boete wegens niet-melding van pensioenuitkeringen.