ECLI:NL:CRVB:2021:1163
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, werkzaam als keukenmonteur, meldde zich in 2011 ziek met psychische en lichamelijke klachten. Na diverse besluiten kende het UWV hem een WGA-uitkering toe, die in 2017 werd beëindigd omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Appellant maakte bezwaar en beroep tegen deze beëindiging, waarbij medische en arbeidskundige onderzoeken werden herzien, maar de mate van arbeidsongeschiktheid bleef onder de 35%.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige onderschreven de beperkingen en de geselecteerde functies waren passend. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn hartklachten ernstiger waren en dat een urenbeperking uit preventief oogpunt noodzakelijk was, mede vanwege eerdere hartinfarcten.
De Raad concludeerde dat de aanvullende medische verklaringen onvoldoende onderbouwing boden voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De eerdere urenbeperking was gebaseerd op een revalidatietraject dat niet meer van toepassing was. De Raad volgde het UWV in de beoordeling dat appellant geschikt is voor licht werk zonder verdere urenbeperking. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 1 maart 2018 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.