ECLI:NL:CRVB:2021:1204
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 70,25% voor WIA-uitkering
Appellant, voormalig metselaar, meldde zich ziek met rugklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na bezwaar en herbeoordeling kende het UWV appellant een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 70,28% per 2 februari 2018.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV onvoldoende functies kon duiden en dat zijn beperkingen, met name hand- en vingergebruik, onvoldoende waren erkend.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De medische rapporten waren zorgvuldig en voldoende gemotiveerd, waarbij de beperkingen passend waren vastgesteld. Er was geen medische onderbouwing voor verdergaande beperkingen en de functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd, waren medisch geschikt.
De Raad concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht op 70,25% was vastgesteld en dat de duurzaamheid van de beperkingen geen bespreking behoefde. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid van appellant terecht is vastgesteld op 70,25%.