Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig praktijkdocent groenvoorziening, werd sinds 2012 arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling op verzoek van zijn (ex-)werkgever stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid bij besluiten van 23 juni 2017 en 31 mei 2018 vast, respectievelijk op 59,05% en 57,48%. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en voerde aan dat zijn beperkingen, met name door psychische klachten, rugklachten, dyslexie en schouderklachten, ernstiger waren dan vastgesteld.
De rechtbanken verklaarden het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht en de belastbaarheid juist had ingeschat. In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunten en overhandigde medische rapporten ter onderbouwing. De Centrale Raad van Beroep heeft deze rapporten en de medische gegevens van het UWV beoordeeld en concludeert dat de beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat zijn gemotiveerd en dat de geselecteerde functies passend zijn.
De Raad acht de medische onderbouwing van het UWV overtuigend, onder meer omdat de door appellant ingeschakelde artsen geen wezenlijk andere beperkingen vaststelden. De Raad volgt de uitleg dat de rugklachten aspecifiek zijn en dat een discusversmalling niet is vastgesteld. Ook de beperkingen door dyslexie en schouderklachten rechtvaardigen geen verdere aanscherping van de FML. De arbeidsdeskundige heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom appellant de geselecteerde functies kan vervullen.
Gelet hierop worden de hoger beroepen ongegrond verklaard en worden de aangevallen uitspraken van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid en de geschiktheid van de geselecteerde functies en verklaart het hoger beroep ongegrond.