ECLI:NL:CRVB:2021:1218
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijstandsnorm en inlichtingenverplichting bij verblijf in inrichting
Appellant ontving bijstand en verbleef vanaf februari 2017 in een zorgcentrum voor revalidatie. Het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) stelde hem in oktober 2017 definitief langdurige zorg toe. Het college herzag de bijstand en paste deze aan naar de lagere inrichtingsnorm, omdat appellant niet tijdig had gemeld dat hij in een inrichting verbleef, wat een schending van de inlichtingenverplichting vormde.
De rechtbank vernietigde het besluit deels, omdat appellant pas in oktober 2017 definitief was geïndiceerd. In hoger beroep betoogde appellant dat hij recht had op bijstand volgens de reguliere norm tot die datum, en dat hij niet tijdig kon melden vanwege zijn gezondheid en dat zijn zus dit pas later had gedaan. Ook stelde hij dat de bijstand had moeten worden afgestemd op zijn financiële situatie vanwege doorlopende woonlasten.
De Raad oordeelde dat de inrichtingsnorm vanaf het moment van verblijf in de inrichting van toepassing is, ongeacht of het verblijf tijdelijk of permanent is, en dat er geen overgangstermijn in de wet is opgenomen. De schending van de inlichtingenverplichting stond vast, aangezien noch appellant noch zijn zus het college tijdig hadden geïnformeerd. Verder was appellant niet geslaagd in het aannemelijk maken van bijzondere omstandigheden die afstemming van de bijstand rechtvaardigen.
Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep, waarbij de bijstand werd herzien naar de inrichtingsnorm vanaf 1 april 2017. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Hoger beroep wordt verworpen en de bijstand wordt herzien naar de inrichtingsnorm vanaf 1 april 2017.