ECLI:NL:CRVB:2021:1222
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting en vermoedens van andere middelen
In deze zaak betrof het de intrekking van de bijstandsuitkering met ingang van 25 januari 2018 en de terugvordering van kosten over de periode van 25 tot en met 31 januari 2018 ter waarde van €304,03. Het college van burgemeester en wethouders van Helmond baseerde dit besluit op een doorzoeking van de woning van appellanten waarbij een handelshoeveelheid drugs, contant geld, een duur horloge en andere luxe goederen werden aangetroffen.
De leefwijze van appellanten wekte het vermoeden dat zij beschikten over andere middelen dan de bijstandsuitkering. Appellanten hebben nagelaten hierover inzicht te geven, waardoor zij de inlichtingenverplichting schonden en het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij de verklaringen van appellanten over het eigendom van de drugs niet aannemelijk werden geacht.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak en oordeelde dat de intrekking en terugvordering terecht zijn gehandhaafd. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van de bijstand blijven in stand.