ECLI:NL:CRVB:2021:124
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en medische grondslag in WIA-herbeoordeling
Appellante, werkzaam als medewerker cursusadministratie, meldde zich in 2006 ziek met psychische en lichamelijke klachten en ontving sinds 2009 een WIA-uitkering. Na een verzoek tot herbeoordeling in 2016 stelde het UWV haar arbeidsongeschiktheid vast op 58,56%, later bij bezwaar op 59,58%. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het eerste besluit gegrond en het beroep tegen het tweede ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat de rechtbank onvoldoende rekening hield met de diagnose autisme spectrumstoornis en de daaruit voortvloeiende beperkingen. De Raad schakelde een onafhankelijke deskundige in die bevestigde dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) slechts licht aangepast moesten worden, onder meer met betrekking tot geluidsprikkels en vaste werkwijzen.
De deskundige vond een persoonlijk spreekuurcontact niet noodzakelijk vanwege de uitgebreide eerdere anamnese en het retrospectieve karakter van de beoordeling. De Raad volgde het deskundigenrapport en oordeelde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid op juiste wijze had vastgesteld. Hoewel het besluit aanvankelijk onvoldoende gemotiveerd was, werd dit gebrek gepasseerd omdat het niet leidde tot benadeling van appellante.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak, veroordeelde het UWV in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan appellante wordt vergoed.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante juist is vastgesteld op 59,58% met een toereikend gemotiveerde medische en arbeidskundige grondslag.