Uitspraak
18.2050 WAJONG
OVERWEGINGEN
.Deze voorwaarden behoeven daarom geen verdere bespreking.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, sinds 1995 geopereerd aan een goedaardige hersentumor en lijdend aan partieel complexe epilepsie, ontvangt sinds 2007 een Wajong-uitkering. Het UWV stelde in 2017 dat appellant arbeidsvermogen heeft, waardoor zijn uitkering per 1 januari 2018 werd verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze verlaging.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat er geen reden was om aan hun conclusies te twijfelen dat appellant minimaal een uur aaneengesloten kan werken en vier uur per dag belastbaar is. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij door frequente epileptische aanvallen en vermoeidheid geen arbeidsvermogen heeft, en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en het UWV. De medische rapporten en het verzekeringsgeneeskundig onderzoek toonden aan dat appellant ondanks zijn beperkingen substantieel arbeidsvermogen bezit. De Raad vond geen aanleiding tot twijfel aan de medische beoordeling en wees het verzoek tot benoeming van een deskundige af. De verlaging van de Wajong-uitkering werd daarmee bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% van het minimumloon per 1 januari 2018 wordt bevestigd omdat appellant arbeidsvermogen bezit.