Uitspraak
18 3238 WIA
2 mei 2018, 17/5488 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, laatstelijk werkzaam als administratief medewerkster, was sinds 12 april 2010 ziek gemeld en ontving vanaf 22 juli 2012 een WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 37%. Na een herbeoordeling stelde het UWV vast dat zij per 3 april 2017 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna het bezwaar van appellante werd gehonoreerd en haar recht op voortzetting van de WIA-uitkering werd bevestigd met een arbeidsongeschiktheid van 35,24%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond en oordeelde dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) en de medische rapporten juist waren vastgesteld, zonder aanleiding voor een verdere urenbeperking. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen niet juist waren weergegeven, onder meer vanwege longklachten, psychische klachten en fysieke beperkingen, en verzocht om benoeming van een deskundige.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De medische en arbeidskundige onderbouwing was overtuigend en de FML adequaat aangepast. Er was geen aanleiding voor een zwaardere urenbeperking of het afwijzen van de geselecteerde functies. De klacht over de ongeschiktheid van de functie productiemedewerker industrie vanwege blootstelling aan soldeerdampen werd gemotiveerd weerlegd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van een arbeidsongeschiktheid van 35,24% per 3 april 2017.