Appellante was sinds 2010 arbeidsongeschikt en ontving een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2018 stelde het UWV vast dat zij vanaf 7 juni 2018 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarop de uitkering werd beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen adequaat waren vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar nek- en schouderklachten onvoldoende waren meegewogen en dat de arbeidskundige beoordeling onzorgvuldig was, met name over de aard van de geselecteerde functies en de mate van afleidbaarheid. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter de eerdere oordelen, stelde vast dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende waren gemotiveerd en dat de klachten van appellante adequaat waren beoordeeld.
Hoewel het UWV pas in hoger beroep een volledige onderbouwing gaf voor een onderdeel van de arbeidskundige beoordeling, werd dit gebrek gepasseerd omdat aannemelijk was dat appellante hierdoor niet benadeeld was. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante.